DE KWIJTSCHELDING – REVISITED

Wie de termijn voor aanvraag kwijtschelding rateerde, krijgt een tweede kans!  Curator, auteur en gewezen stafhouder mr. Brigitte Vander Meulen licht de recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof toe.

 

Inleiding – waarover hebben we het?

Natuurlijke personen die in staat van faillissement worden verklaard na 1 mei 2018 vallen niet meer onder het stelsel van de verschoonbaarheid, maar van de kwijtscheldingIn art. XX 173 WER zet de wetgever de toepasselijke bepalingen uiteen.

Art. XX 173 § 1 WER bepaalt:

- wie in aanmerking komt voor kwijtschelding
- en
op welke schulden de kwijtschelding al dan niet een weerslag heeft.

Art. XX 173 § 2 WER omschrijft:

- de voorwaarden waaraan moet voldaan zijn opdat de kwijtschelding voor de rechtbank behandeld wordt, met name de termijn binnen dewelke en de wijze waarop de vraag moet worden gesteld
- de tussenkomst van de curator bij een vraag tot kwijtschelding
- de mogelijkheid tot bekomen van vervroegde kwijtschelding (i.e. voor de sluiting van het faillissement) en de  werkwijze die moet worden gevolgd en de reactiemogelijkheden van de Rechtbank op dit verzoek<
wanneer de rechtbank zich moet uitspreken over het verzoek tot kwijtschelding
- de publicatie van het vonnis in het Belgisch Staatsblad

Art. XX 173 § 3 WER bepaalt:

- wie zich kan verzetten tegen een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, wat dient te worden bewezen en wie de bewijslast draagt, en wanneer en op welke wijze dit verzet moet worden gedaan.
- de mededeling van het vonnis van gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding aan de gefailleerde vrije beroeper aan diens Orde of Instituut.

 

DE VERVALTERMIJN VAN ART XX 173 § 2 WER – TOTAAL IRRELEVANT MAAR MEDOGENLOOS

Art. XX 173 § 2, eerste zin van het eerst lid luidt letterlijk:

De kwijtschelding wordt enkel toegekend door de rechtbank op verzoek van de gefailleerde, welk verzoekschrift hij dient te voegen bij zijn aangifte van het faillissement of dient neer te leggen in het register uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis, zelfs indien het faillissement is afgesloten voor het verstrijken van die termijn.”

In de praktijk bleek dat heel wat gefailleerde natuurlijke personen – al dan niet samen met hun raadsman – de termijn niet in acht namen en dat nogal wat gefailleerden OFWEL geen verzoek tot kwijtschelding indienden, OFWEL een verzoek tot kwijtschelding indienden later dan 3 maanden na de publicatie van het faillissementsvonnis OFWEL een mondeling verzoek formuleerden op de sluitingszitting.

Mede op basis van de overwegingen in de Memorie van Toelichting beschouwde de rechtspraak unaniem de termijn van art. XX 172 § 2 WER als een vervaltermijn en wees elke vordering tot kwijtschelding die niet op de correcte manier was neergelegd binnen de 3 maanden na publicatie af als onontvankelijk.

Het hoeft niet gezegd dat dit rampzalig was voor heel wat gefailleerde natuurlijke personen die dus verder gehouden bleven tot alle restschulden na sluiting van hun faillissement.

Anderzijds zien ook heel wat advocaten en boekhouders, die hun cliënt hadden bijgestaan en “buiten termijn” het verzoek tot kwijtschelding hadden ingediend,  zich geconfronteerd met aansprakelijkheidsvorderingen.

 

HET GRONDWETTELIJK HOF ANTWOORDT OP EEN PREJUDICIELE VRAAG

Reactie kon niet uitblijven en op 4 februari 2020 vroeg de Ondernemingsrechtbank Antwerpen afdeling Tongeren aan het Grondwettelijk Hof: 

of art. XX 173 § 2 WER het gelijkheidsbeginsel niet schendt in de interpretatie volgens hetwelk de termijn van 3 maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis om een verzoek tot kwijtschelding in te dienen een vervaltermijn betreft doordat de gefailleerde natuurlijke persoon die niet tijdig een verzoek tot kwijtschelding indient daarmee onherroepelijk en integraal het recht op kwijtschelding verliest, in tegenstelling tot de gefailleerde natuurlijke persoon die wel tijdig een verzoek tot kwijtschelding indient en (bij gebrek aan verzet conform art XX 173 § 3 WER)  automatisch  en zonder appreciatiebevoegdheid van de rechtbank de kwijtschelding zal verkrijgen?”

In arrest 62/2021 van 22 april 2021 heeft het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag positief beantwoord: Art. XX 173 § 2 WER schendt art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de gefailleerde natuurlijke persoon die niet binnen de vervaltermijn van drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis een verzoek tot kwijtschelding van de restschulden indient, het recht op kwijtschelding onherroepelijk verliest.

Voor de geïnteresseerden: het arrest is bijzonder uitvoerig en goed gemotiveerd en zeker het lezen waard. In essentie stelt het Hof dit.

De gevolgen van dit arrest waren evenwel eerder beperkt: het arrest geeft een antwoord op een prejudiciële vraag maar is geen vernietigingsarrest. Art. XX 173 § 2 WER bleef geldig bestaan. 

Wat men wel kon doen na dit arrest, is aan de rechtbanken en hoven een grondwetconforme toepassing vragen van art. XX 173 § 2 WER.

Dit is ook gebeurd: na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 april 2021 hebben gefailleerden en hun raadslieden massaal een grondwetconforme toepassing gevraagd van art XX 173 § 2 WER, en de ondernemingsrechtbanken en hoven van beroep hebben de verzoeken om kwijtschelding die later dan 3 maanden waren ingediend, niet meer als onontvankelijk afgewezen maar ze ontvankelijk verklaard en ten gronde beoordeeld.

Of m.a.w. heel wat kwijtscheldingen werden bekomen ten gevolge van het arrest van 22 april 2021.

Maar het wordt nog beter.


HET GRONDWETTELIJK HOF VERNIETIGT NU OOK ART. XX 273 § 2 WER

Op 15 juni 2021 werd (door mr. Dimitri Vantomme, confrater van balie West-Vlaanderen!) een verzoek tot vernietiging van art. XX 173 § 2 WER ingediend bij het Grondwettelijk Hof.

In arrest 151/2021 van 21 oktober 2021 heeft het Grondwettelijk Hof op identiek dezelfde overwegingen als in het arrest nr 62/2021 beslist: “het Hof vernietigt artikel XX 173 § 2 WER in zoverre het bepaalt dat de gefailleerde natuurlijke persoon die niet binnen de vervaltermijn van drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis een verzoek tot kwijtschelding van restschulden indient, het recht op die kwijtschelding onherroepelijk verliest.

De gevolgen van een vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof zijn onder meer:

- dat het arrest  absoluut gezag van gewijsde heeft vanaf de bekendmaking in het B. Staatsblad (art. 9 § 1 Wet  van de Wet van 6 januari 1989 “bijzonder wet op het Grondwettelijk Hof”)
- art. 16 Wet 6 januari 1989: §1 De in kracht van gewijsde gegane beslissing van een burgerlijk gerecht kan, in zoverre zij gegrond is op een bepaling van een wet, een decreet of een in art. 134 Grondwet bedoelde regel die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd (…) geheel of ten dele worden ingetrokken op verzoek van degenen die daarbij partij zijn geweest of behoorlijk opgeroepen
§2 De rechter kan binnen de grenzen van de intrekking een nieuwe beslissing uitspreken die steunt op een andere grond of een andere juridische omschrijving van een feit of een handeling waarmee de bestreden beslissing wordt gestaafd;
§ 3 De vordering tot intrekking wordt aanhangig gemaakt bij het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen; ze wordt ingeleid door een dagvaarding die de uiteenzetting van de middelen bevat en betekend wordt aan alle bij de bestreden beslissing betrokken partijen, een en ander op straffe van nietigheid
§ 4 Op straffe van verval moet de vordering worden ingesteld binnen de zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad.”

Het arrest 151/2021 is nog niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Nu reeds een gouden raad aan gefailleerden en confraters die de kwijtschelding niet hebben bekomen wegens ontijdigheid: u krijgt een tweede kans om alsnog de kwijtschelding te vragen. 

VERLIES DE WETTELIJKE TERMIJN NIET UIT HET OOG!   Dagvaard binnen de zes maanden na publicatie van het arrest in het BS de curator en breng de zaak voor de rechtbank die de kwijtschelding niet heeft toegekend, vraag de intrekking van de vorige beslissing en vraag de kwijtschelding van de restschulden.

 

Komt er nog meer?

Mogelijks wel: er zijn nog prejudiciële vragen hangende ivm art. 173 § 2 WER – maar gelet op de vernietiging is het nu afwachten wat daarmee gebeurt.

I’ll keep you informed.

 

Brigitte Vander Meulen

 

Blijf op de hoogte